Gepost door: Eric Masseus | 22/04/2009

De Galileo-controverse

Galileo voor de Inquisitie (Cristiano Banti)

Galileo voor de Inquisitie (Cristiano Banti)

Kerk nam destijds niet aan wat de moderne wetenschap nu zou afwijzen

In de recente discussie in Nederland over evolutie, intelligent design en de Rooms-katholieke visie hierop, wordt de Rooms-katholieke Kerk menigmaal verweten dat ze zich hiermee niet mag ‘bemoeien’, omdat het hier om een vraagstuk voor de wetenschap gaat. Critici van de Kerk refereren dan gemakkelijk aan de veroordeling in 1633 van Galileo Galilei (1564-1642) en het mea culpa hierover dat enkele jaren geleden dat door Johannes Paulus II werd uitgesproken. Het veroordelingjaar 1633 wordt door menigeen beschouwd als het moment dat geloof en rede van elkaar werden gescheiden. Dit beruchte Galilei-proces heeft eeuwenlang de verhouding tussen kerk en natuurwetenschap vertroebeld en is aanleiding geweest tot talrijke publicaties van beide zijden, meestal niet zonder emotionaliteit geschreven. Maar hoe zat het nu ook al weer? (Bron: Catholic Answers)

Algemeen wordt aangenomen dat de Rooms-katholieke Kerk Galileo vervolgden voor het uitdragen van geocentrische visie (aarde in het centrum) op het zonnestelsel ten gunste van de heliocentrische visie (zon in het centrum).

Antiwetenschappelijk?

De Kerk is niet antiwetenschappelijk. Ze heeft eeuwenlang wetenschappelijke inspanningen gesteund. In de tijd van Galileo bevonden zich in Rome onder de Jezuïeten gerespecteerde wetenschappers en astronomen. Hierbij komt dat vele vooraanstaande wetenschappers werden aangemoedigd en financieel ondersteund door de Kerk en individuele kerkelijke functionarissen. Veel wetenschappelijke ontdekkingen werden geboekt door geestelijken of als resultaat van financiering door de Kerk.

Nicolaus Copernicus (1473-1543) droeg zijn beroemdste werk, de revolutionibus orbium coelestium (over de omwenteling van hemellichamen), waarin hij een excellent verslag gaf over de heliocentriciteit, op aan paus Paulus III. Copernicus vertrouwde zijn werk toe aan Andreas Osiander, een Lutherse geestelijke die wist dat de protestantse reactie hierop afwijzend zou zijn, omdat Martin Luther deze nieuwe zienswijze zou hebben veroordeeld en dat, als gevolg hiervan, ook het boek zou worden veroordeeld. Osiander schreef een voorwoord voor het boek, waarin het heliocentrisme werd geëtaleerd als slechts een theorie wat de beweging van de planeten eenvoudiger verklaarde dan het geocentrisme – iets wat Copernicus niet bedoelde.

Tien jaar eerder dan Galileo, publiceerde Johannes Kepler (1561-1630) een heliocentristisch werk dat voortbouwde op het werk van Copernicus. Het gevolg was dat ook Kepler, vanwege zijn heliocentrische visie, tegenstand ondervond van zijn protestantse geloofsgenoten. Daarentegen werden zijn ontdekkingen verwelkomd door de sommige Jezuïeten die bekend waren voor hun wetenschappelijke prestaties.

Vastklampen aan traditie?

Antikatholieken verwijzen vaak naar de Galileo-zaak als een voorbeeld voor de Kerk die weigert om een ouderwetse of onjuiste leer op te geven en zicht vast te klampen aan een “traditie.” Zij realiseren zich niet dat de rechters die oordeelden over de Galileo’s zaak niet enige mensen waren die vasthielden aan de geocentrische visie van het universum. Het was een onder de wetenschappers van die tijd een algemeen aanvaarde zienswijze.

Eeuwen eerder had Aristoteles de heliocentriciteit weerlegd. In Galileo’s tijd onderschreef nagenoeg elke vooraanstaande denker de geocentrische visie. Copernicus zag een zekere tijd af van publicatie van zijn visie, niet uit angst voor de censuur van de Kerk, maar uit angst voor de hoon en spot van zijn collega’s.

Veel mensen geloven ten onrechte dat Galileo het heliocentrisme aantoonde en bewees. Hij kon echter niet het belangrijkste argument tegen het heliocentrisme, dat Aristoteles bijna 2000 jaar eerder had genoemd, weerleggen. Als het heliocentrisme waar zou zijn, dan zou er een waarneembare parallaxverschuiving zichtbaar moeten zijn van de positie van de sterren als de aarde zich om de zon beweegt. Echter gezien de stand der technologie in de tijd van Galileo konden hoe dan ook een parallaxverschuiving worden waargenomen. Vanwege de enorme afstand van de sterren ten opzichte van de aarde was er in Galileo’s tijd veel gevoeliger meetapparatuur nodig om deze verschuivingen aan te tonen. Tot dan wezen de in die tijd beschikbare meetgegevens op een gefixeerde positie van de sterren ten opzichte van de aarde en dat dus de aarde en sterren zich niet in de ruimte bewogen – alleen de zon, maan en andere planeten bewogen.

Dus Galileo was niet in staat om zijn, naar de in die tijd geldende wetenschappelijke maatstaven volgens Aristoteles, theorie te bewijzen. In zijn brief aan de groothertogin Christina en andere documenten, beweerde Galileo dat de theorie volgens Copernicus de “logische bewijzen” bevatte die volgens de aristoteliaanse wetenschap nodig waren, maar velen wisten dat deze bewijzen niet konden worden gegeven. De meeste astronomen in die tijd waren niet overtuigd van de grote afstand van de sterren die nodig is in theorie van Copernicus ter verklaring van de afwezigheid van een waarneembare parallaxverschuiving van de sterren. Dit is een van de belangrijkste redenen waarom de gerespecteerde astronoom Tycho Brahe weigerde om de theorie van Copernicus volledig te accepteren.

Galileo had veiligheidshalve heliocentriciteit als een theorie kunnen voorstellen dat de beweging van de planeten verklaarde. Zijn problemen begonnen pas toen hij deze wetenschappelijke theorie als waarheid verklaarde, ofschoon er in die tijd nog geen sluitend bewijs was verkregen. Galileo zou ook niet in zulke grote problemen zijn gekomen als hij zich beperkt zou hebben tot de wetenschap en zich niet op het terrein van de theologie zou hebben begeven. Maar, ondanks waarschuwingen van zijn vrienden, stond hij erop om het debat met theologische argumenten voort te zetten.

In 1614 voelde Galileo zich geroepen om beschuldigingen te ontkrachten, dat deze ‘nieuwe wetenschap’ tegenstrijdig was ten opzichte van bepaalde passages in de Heilige Schrift. Zijn tegenstanders verwezen bijvoorbeeld naar de bijbelpassages zoals “En de zon stond stil en de maan bleef staan …” (Jozua 10:13). Dit is niet een alleenstaand voorkomen. In de Psalmen 93 en 104 en in Ecclasiastes 1:5 wordt ook gesproken over de beweging van hemellichamen en aardse stabiliteit. De letterlijke betekenis van deze passages zou moeten worden opgegeven als de heliocentristische visie zou worden geaccepteerd. Nochtans zou dit niet tot een probleem hoeven te leiden. Of zoals Augustinus zei, “Men leest niet in het evangelie dat de Heer heeft gezegd: ‘Ik zal u de Parakleet sturen die u zal onderwijzen over het pad van de maan en de zon.’ Hij wil hen tot christenen maken, geen wiskundigen.” Conform het voorbeeld dat Augustinus gaf, drong Galileo erop aan om de bijbelse teksten niet te letterlijk te interpreteren.

Helaas zijn er gedurende de gehele geschiedenis van het christendom mensen die er op staan dat, in tegenstelling van wat de bedoeling is, de bijbel letterlijk moet worden gelezen. Zij weigeren te aanvaarden dat er in de Heilige Schrift voorbeelden staan die als ‘fenomenologische taal’ worden aangeduid – de taal van de verschijnselen. Net zoals we in het dagelijkse spraakgebruik, net zoals onze voorouders in de oudheid, spreken over een rijzende zon en een zonsondergang die het begin en einde van de dag markeren, in plaats een om z’n as draaiende aarde. Vanuit het aardse perspectief lijkt het erop dat de zon opgaat en het er evenzo op lijkt dat de zon ondergaat en de aarde onbeweeglijk lijkt. Als we de dingen beschrijven zoals het zich voordoet, gebruiken we fenomenologische taal.

Het gebruik van fenomenologische taal met betrekking tot de beweging van de hemellichamen en de immobiliteit van de aarde is voor in deze tijd begrijpelijk, zoals dat vele eeuwen geleden niet zo vanzelfsprekend was. Bijbelwetenschappers waren in het verleden genegen om een letterlijke of een fenomenologische interpretatie van bijbelteksten in overweging te nemen. Zij waren echter niet genegen om de aanwijzingen van een niet-bijbelwetenschapper, zoals Galileo, over de wijze van interpreteren van de heilige teksten te aanvaarden.

In die periode was de eigen interpretatie van de Schrift een gevoelig onderwerp. Aan het begin van de 17de eeuw had de Kerk net de Reformatie meegemaakt en een van de belangrijkste geschilpunten met de protestanten ging over de individuele interpretatie van de Bijbel.

De theologen waren niet bereid om de heliocentrische theorie, gebaseerd op de interpretatie van een leek, te accepteren. Nochtans stond Galileo erop om het debat op theologisch terrein te voeren. Er bestaat nauwelijks twijfel over de vraag of deze zaak zo zou zijn geëscaleerd, als Galileo binnen de grenzen van de astronomie (bijvoorbeeld het voorspelen van de baan van hemellichamen) zou zijn gebleven en niet de natuurkundige waarheid zou hebben geclaimd voor de heliocentrische theorie. Per slot van rekening had hij de zijn theorie nog niet sluitend kunnen bewijzen.

Galileo ‘confronteert’ Rome

Galileo kwam naar Rome om paus Paulus V (1605 – 1621) te ontmoeten. De paus, wars voor controverse, droeg de zaak over aan het Heilig Office die in 1616 de theorie van Galileo veroordeelde. Een tijdje bleef het rustig, totdat Galileo opnieuw een openlijke krachtmeting aanging.

Op verzoek van Galileo, verleende kardinaal Robert Bellarmine, een jezuïet – een van de in die tijd belangrijkste katholieke theologen – toestemming dat hem, ofschoon het hem verbood om de heliocentriciteitstheorie aan te hangen of te verdedigen, in staat stelde de theorie te veronderstellen.Toen Galileo de nieuwe paus, Urbanus VIII (zie afbeelding), in 1623 ontmoette, ontving hij van hem toestemming van zijn oude vriend om een werk te schrijven over het heliocentrisme. De nieuwe pontifex waarschuwde hem echter om deze nieuwe theorie niet te verdedigen, maar om alleen de argumenten voor en tegen te presenteren.

Toen Galileo zijn werk Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo, tolomaico e copernicano (zie afbeelding) schreef, gebruikte hij een argument dat de paus hem had gegeven en liet dat zeggen door een van de figuranten in zijn boek, Simplicio. Galileo dreef, wellicht onbedoeld, spot met de paus, iets wat alleen maar tot desastreuze gevolgen kon leiden. Paus Urbanes voelde zich belachelijk gemaakt en kon niet geloven dat zijn vriend hem publiekelijk te kijken had gezet. Galileo had juist die persoon belachelijk gemaakt die hij nodig had als weldoener. Hij vervreemde zich hiermee ook met zijn sinds lange tijd aanhangers, de Jezuïeten, door een van hun astronomen aan te vallen. Het resultaat was het beruchte proces, wat tot op heden nog steeds wordt beschouwd als definitieve scheiding van wetenschap en religie.

Gemarteld voor zijn geloof?

Tenslotte herriep Galileo zijn heliocentrische leer, maar dat gebeurde niet – zoals algemeen werd aangenomen – als gevolg van martelingen, noch na een wrede gevangenschap. Galileo werd in werkelijkheid verbazingwekkend goed behandeld.

Zoals de historicus Giorgio de Santillana, die niet bepaald een bewonderaar is van de Rooms-katholieke Kerk, opmerkte, “we kunnen niet anders dan de voorzichtigheid en de legale scrupules van de Romeinse autoriteiten bewonderen.” Galileo werd elk mogelijk comfort geboden om zijn huisarrest dragelijk te maken.

Galileo’s vriend Nicolini, de Toscaanse ambassadeur in het Vaticaan, zond regelmatig rapporten over Romeinse aangelegenheden naar het hof in Toscane. Veel van zijn brieven handelden over de controverse over Galileo.

Nicolini beschreef de omstandigheden van Galileo’s “gevangenschap” toen hij rapporteerde aan de groothertog van Toscane: “De paus verteld mij dat hij Galileo een nog nooit aan een ander verleende gunst had gegeven” (13 februari 1633); “… heeft een bediende en elk mogelijk comfort” (16 april); en “over de persoon Galileo, hij zou enige tijd gevangen moeten worden gehouden omdat hij zijn opdracht van 1616 had genegeerd, maar de paus zegt dat na de publicatie van het vonnis hij met mij zal overleggen wat hij kan doen om hem zo min mogelijk te laten lijden (18 juni).

Als Galileo zou zijn gemarteld, dan zou Nicolini de groothertog daarover hebben bericht. Ofschoon martelwerktuigen aanwezig kunnen zijn geweest gedurende de ontkenningen van Galileo – zoals te doen gebruikelijk in die tijd – zijn deze met zekerheid niet gebruikt.

De getuigenverslagen bewijzen dat Galileo niet mocht worden gemarteld, omdat de regelgeving vastgelegd in de Handleiding voor Inquisiteurs dat verbood (Nicholas Eymeric, 1595). Dit was de officiële handleiding van het Heilig Office, het kerkelijke orgaan dat zich met dergelijke zaken bezig hield en wat zeer precies werd gevolgd.

Zoals de beroemde wetenschapper en filosoof Alfred North Whitehead opmerkte, in een tijdperk waarin een groot aantal “heksen” onderworpen werd aan martelingen en executie door de protestanten in New England, “het ergste wat de wetenschapper overkwam was dat Galileo moest lijden onder een eerbare gevangenschap en een milde terechtwijzing.” En dan nog erkend de Rooms-katholieke Kerk van tegenwoordig dat de veroordeling van Galileo fout was. Het Vaticaan heeft zelfs twee postzegels uitgegeven als een blijk van spijt voor zijn onjuiste behandeling.

Onfeilbaarheid

Ofschoon drie van de tien kardinalen die Galileo berechtten weigerden om het vonnis te ondertekenen, werden zijn werken uiteindelijk veroordeeld. Antikatholieken gebruiken deze veroordeling en de rehabilitatie van Galileo als bewijs voor de onjuistheid van de doctrine van pauselijke onfeilbaarheid. Maar dit is echter een onjuist uitgangspunt, omdat de paus nooit heeft geprobeerd om een onfeilbare uitspraak te doen met betrekking tot de zienswijzen van Galileo.

De Kerk heeft nooit beweerd dat gewone tribunalen, zoals het tribunaal waarin Galileo werd veroordeeld, onfeilbaar waren. Kerkelijke tribunalen hebben slechts een disciplinaire en juridische autoriteit. Noch het tribunaal, noch hun besluiten zijn onfeilbaar.

Geen enkele oecumenische vergadering over de zaak Galileo werd bijeen geroepen en de paus stond niet in het middelpunt van de discussies die werden afgehandeld door het Heilig Office. Toen het Heilig Office haar werk afrondde, ratificeerde Urbanus VIII het vonnis, maar deed geen pogingen om dit vonnis als onfeilbaar aan te merken.

Voordat een paus een onfeilbare uitspraak kan doen, moet worden voldaan aan drie voorwaarden. (1) Hij moet spreken vanuit zijn officiële functie als de opvolger van Petrus. (2) Hij moet een uitspraak doen over geloofszaken of de moraal. (3) Hij moet plechtig verklaren dat de doctrine door alle gelovigen moet worden aanvaard.

In het geval van Galileo werd in elk geval zeker niet voldaan aan de tweede en derde voorwaarde, mogelijk zelfs niet aan de eerste. De katholieke leer heeft nooit beweerd dat louter de pauselijke ratificatie van een vonnis van een tribunaal een uiting is van onfeilbaarheid. Het is beslist onjuist om te beweren dat de Katholieke Kerk onfeilbaarheid heeft gedefinieerd als een wetenschappelijke theorie, dat uiteindelijk onjuist blijkt te zijn. Het enige dat kan worden gezegd is dat de Kerk in Galileo’s tijd een feilbare disciplinaire uitspraak heeft gedaan over een wetenschapper die voorstander was van een nieuwe en nog niet bewezen theorie en van de Kerk verlangde haar uitleg van de Heilige Schrift te herzien zodat deze aansluit bij deze nieuwe theorie.

Het is een goede zaak dat de Kerk zich niet haastte om Galileo’s zienswijze te omarmen, omdat uiteindelijk bleek dat zijn theorie niet helemaal juist was. Galileo geloofde dat de zon niet alleen het vaste middelpunt van het zonnestelsel was, maar ook het middelpunt van het universum. Tegenwoordig weten we dat de zon niet het centrum is van het universum en dat het beweegt – het draait simpelweg eerder om het middelpunt van het sterrenstelsel dan de aarde.

Zoals recent wetenschappelijk onderzoek aantoont, hebben zowel Galileo als zijn opponenten gedeeltelijk gelijk en gedeeltelijk ongelijk. Galileo had gelijk met zijn bewering dat de aarde beweegt en had ongelijk met zijn bewering dat zon zich niet in de ruimte verplaatst. Zijn tegenstanders hadden gelijk dat de zon zicht beweegt en hadden ongelijk in hun bewering dat de aarde zich niet verplaatst.

Zou de Rooms-katholieke Kerk zich gehaast hebben om de zienswijze van Galileo te erkennen – en er waren velen binnen de Kerk die hiervoor veel voelden – dan het de Kerk datgene omhelsd wat de moderne wetenschap had afgewezen.

Dit artikel werd eerder in het Engels gepubliceerd op http://www.catholic.com. (em).

About these ads

Responses

  1. Waar het in de kern natuurlijk om gaat is dat de paus als agent van Christus zijn tijdgenoten niet om de oren zou moeten slaan met betwistbare theorien. Volgens mij heeft Chrsitus dat ook nooit gedaan en de katholieke kerk zou Christus hierin moeten volgen……
    Kennelijk is het voor de paradijselijke mens helemaal niet belangrijk te weten hoe alle materie zich precies verhoudt tot de omgeving…..
    God heeft de schepping wel zodanig gemaakt dat de mens er nooit tot in de kern zal kunnen doordringen, immers de mens zou dan aan God gelijk zijn geworden….


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 403 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: